Gekleurde haarpunten bij de Zwartgrannen

img_3627

Door: Rinus Verhelst

Met deze bijdrage wil ik proberen om in een begrijpelijke vorm een paar zaken te verklaren, en wel de volgende:

  • Waarom die grannen haarpunten bij de Zwartgrannen gekleurd zijn;
  • Waarom het niet slechts om grannenharen handelt;
  • Waarom de gekleurde haarpunten meestal niet geheel zwart zijn;
  • Waarom het moeilijk is, de kleurbegranning aan het gehele lichaam gelijkmatig te vormen;
  • Waarom de buik en onderzijde van de staart wit zijn;
  • Waarom steeds weer een aanduiding van tussenkleur foktechnisch te bewerken is en
  • Waarom het zinvol is, dieren met lichte tot middelmatige kleurbegrenzing, -en desondanks intensive donker hoornkleurige nagels, te fokken.

De grondslag voor de beantwoording van deze vragen is helaas vaak nauwelijks navolgbaar te formuleren, maar hierbij zijn de inzichten van dr. Hochstrasser belangrijk en vooral de uitkomsten van de werken van Edwin Contes, met wie ik een intensieve briefwisseling heb, nadat hij uit de Standaard van 2004, in een ingezonden brief ten aanzien van de pels- en kleurbeschrijving enkele punten bekritiseerd heeft (Kaninchen zeitung 5/2005, blz. 12/13). Aanleiding voor die uitvoeringen zijn enige regels uit een brief van fokkersvriend Contes van 14 maart 2005. Hier noem ik nu enkele algemene op- en aanmerkingen. Omdat de grannenharen slechts twee kleurzones hebben en die volle kleur tot de onderhaarzone gaat, is het niet geheel correct om van ‘spitsenkleur’ te spreken. Daar men echter slechts de spitsen ziet, willen wij dat zo laten staan. Wij weten, dat die Rode Nieuw Zeelander fokkers hun liefde niet voor de donkere haarpunten hebben en ook dr. Niehaus was verwonderd dit aan te treffen bij de verschijning van zijn Witte van Celle, maar moest dit wel voor kennisgeving aannemen. Daarbij wil ik natuurlijk ook mijn eigen mening geven: “De kleuruiting van de grannen is genetisch zeer vast verankerd”. Wat is dat in duidelijke taal? Naar aanleiding van de inzichten van Contes wil ik proberen, dat in een begrijpelijke vorm te verklaren, te beginnen met het eerste probleem.

Waarom zijn die grannenhaarpunten bij de Zwartgrannen gekleurd?

Wij weten allemaal, dat voor het ontstaan van het ras Zwartgrannen, zoals overigens ook voor het ontstaan van het ras Rhönkonijn-, de zogenaamde chinchillafactor verantwoordelijk is{symbool a chi (Duits) c ch (Int.)}. Dit is alleen het geval, wanneer hij in zuiver erfelijke vorm optreedt, omdat hij namelijk recessief is. Wij weten ook, dat de chinchillafactor uit geel, respectievelijk rood, wit maakt. Dien ten gevolge moeten onze Zwartgrannen, die ontstaan zijn uit Saksengold en Chinchilla eigenlijk zuiver wit zijn, zoals de theorie ons ook aan geeft. Waar komt dus die kleur vandaan? Rode Nieuw Zeelander en natuurlijk ook Saksengold zijn rassen, die de wildkleurfactor {GG(Duits) AA(Int.)} dragen. Deze heeft normaal gesproken twee hoofdzakelijke kenmerken: De uitgesproken wildkleuraftekening; daartoe behoren de lichte tot witte kleur van de buikkleur, de binnenzijde van de voorbenen, de onderzijde staart, de kinbakkenomsluiting , de oogomranding en de neusomranding, verder het ontbreken van de schakering in de nek, als mede de zwarte kleur van de ooromranding. 2. De opslag van verschillende pigmenten in het haar, in opvolgende zones, waarbij de afzonderlijke haarsoorten verschillende kleurzones hebben:

  1. a) De granharen hebben slechts twee kleurzones (banden), een diepzwarte kleur aan de top tot zowat in het midden en een blauwe van het midden tot aan de wortel.
  1. b) De dekharen hebben vier kleurzones (banden), een zwarte punt van 2 tot 5 mm., de lichtere ‘geelachtige’ (grijsachtige) wildkleurzone van 4-6 mm., de bijna zwarte ‘kranszone’ van 2-3 mm. en de blauwe onderkleurzone tot de haarbodem. De vooral aan de zijden duidelijk naar voren staande leitharen (het duidelijkst te zien bij tan en zilvervos, de zogenaamde spitsen) hebben eveneens deze vier kleurzones (banden), maar in bredere afmeting.
  1. c) Het zeer dunne, kortere onderhaar, heeft drie kleurzones (banden); een bijna zwarte punt van 2-3 mm. breedte, verantwoordelijk voor de kranskleur, een tussenkleurzone van (al naar gelang de werking van de brede bandfactor) onderscheidenlijke breedte, in de kleur geelachtigbruin tot geelroodachtig en naar Contes inzicht alleen verantwoordelijk voor de tussenkleur, als mede de blauwgrauwe onderkleurzone tot de haarbodem. Door fokkeuze zijn bij de geel wildkleurige rassen (grondsymbool AAbbCCDGG (Duits) AABBCCDDee(Int.)) in de richting op extreme versterking van de feomelanine opslag enige van de voorgenoemde werkingen van de wildfactor GG(Duits) AA(Int.) verregaand verdrongen: Het duidelijkst is dit te zien aan: de Rode Nieuw Zeelander en Saksengold. Ze zullen een mogelijk overeenkomende rode dekkleur, tot respectievelijk geelrode buikkleur hebben en ze mogen geen tussenkleur laten zien. De voormalige wildkleur aftekening heft zich bijna geheel op. Bekijkt men de haarkleur van het dek wat nauwkeuriger, dan zal men vaststellen, dat vooral de duidelijk overstaande haarpunten van de grannenharen bij veel dieren niet rood of geelrood, maar roodachtig bruin tot zowat donkerbruin lijken. Wat Contes met zeer sterke genetische verankering van de grannenhaarkleur aanduidt, kan men ook als restwerking van de zwarte kleur van de bovenste kleurzone, of zoals Hochstrasser, als restwerking van de zwarte kleur eumelanine interpreteren. Hier faalt zo te zeggen de werking van de chinchillafactor. De Witte van Celle was dus ‘zwartgrannenkleurig’, wat maar slechts het verschijnsel van de puntkleur is, want de gekleurde grannen zijn niet tot de bodem zwart, zoals een pelsproef gemakkelijk laat zien. Men neme dus een bosje van de dekharen van onze Zwartgrannen, het beste van de zijbeharing, en leg dit op een wit vel papier. Wat er dan te zien is, is werkelijk verbazingwekkend.

 

Waarom het niet slechts om grannenharen gaat

Iedereen die mijn bovenstaand aangereikt experiment volgt, zal bij een Zwartgrannen met een kleurbegranning met een middelmatige intensiteit het volgende kunnen waarnemen, want ondubbelzinnig laten zich drie haarsoorten met gekleurde haarpunten onderscheiden:

 

  1. a) Duidelijk overstekende, niet gewelfde, haren met een herkenbare verdikking bij ongeveer de haarhelft en met slechts twee kleurzones: van de punt ongeveer12 tot 13 mm. relatief intensief zwart gekleurd en de rest 28 tot 32 mm. zonder pigmentering (is wit verschijnend). Dit zijn duidelijk grannenharen.
  1. b) Duidelijk overstekende haren van een iets fijnere structuur, gedeeltelijk iets langer, maar meestal met vier kleurzones: van de punt af ongeveer 5 tot 10 mm. gepigmenteerd, dan een niet gepigmenteerde zone van 1,5 tot 3 mm., dan een zwart verschijnende zone van verschillende breedte 1,5 tot 5 mm. en de rest tot de bodem weer niet gepigmenteerd. Hier moet het, naar de definitie van E. Contes, om leitharen gaan. Wat ik bij het vergelijken van verschillende dieren kon vaststellen, is dat de spitsen pigmentering bij de leitharen, van leithaar tot leithaar en van dier tot dier, zeer verschillen, enige haren verschenen zelfs in de punt pigmentloos. Ze hebben allemaal echter de overeenkomst, dat zij naar een pigmentloze haarzone donkere, meer of mindere zwart verschijnende kleurzones hebben en daaronder wederom pigmentloos zijn.
  1. c) Minder krachtig onderhaar, uitzonderlijke niet gegolfde haren met een verdikking aan de punt en een ongeveer 1 tot 3 mm. lange spitsenkleur en daaronder tot aan de basis pigmentloos. De spitsenkleur verschijnt daar korter, en niet zo intensief als bij a) en b). De beschrijving van de haarstructuur komt met de, voor het dekhaar, beschreven wijze van Contes overeen. Bij de kleurbegranning, die in de standaard ook als roetachtig zweem genoemd wordt, zijn dus drie haarsoorten betrokken: dekhaar, granhaar en leithaar.

De standaardtekst dient dus te worden aangevuld. Verbazingwekkend is alleen dat niet alle haren met de onder c) beschreven structuur een zwarte punt hebben, je hebt ook, – naar mijn ondervindingen, die ik tot nu toe met haarproeven gedaan heb, een groter aandeel aan dekharen, die geheel zonder pigment zijn. Hoe lichter het type is, des te minder dekharen blijken een gepigmenteerde punt te hebben. Voor de volledigheid heb ik hier gemakshalve aan toegevoegd, dat die dunne en gegolfde onderharen bij de Zwartgrannen naar mijn tot nu toe gedane waarnemingen noch kleurzones, noch pigment hebben.

 Waarom de gekleurde haarpunten meestal niet geheel zwart verschijnen

Nadat we het tweede deel van de rasbenaming ‘Zwartgrannen’ onder de loep genomen hebben, richten wij ons nu op de kleur zwart. Bij het bovenstaande experiment vallen de grannen- en leitharen dadelijk op. Op sneeuwwit fotopapier van beste kwaliteit verschijnen de gekleurde punten zwart.

Iedereen weet echter, dat de kleurindruk van onze ogen dit aan het brein meldt, maar dit is afhankelijk van vele factoren, bijvoorbeeld de intensiteit en de invalshoek van het licht, de achtergrond, de dichtheid van de kleurpigmenten, de doorsnede van de kleurdragers en zo verder. De beroemde Franse impressionisten hebben dit op hun eigen manier vele malen nadrukkelijk uitgedragen. Nu zullen we bij het bekijken van onze Zwartgrannen in de regel wel niet loodrecht op het afzonderlijke haar kijken, de achtergrond zal zeker in het samenspel met de overige haren niet zo sneeuwwit kunnen zijn, zoals dat fotopapier en met zekerheid is het ook diffuser en niet zo glad. De lichtgolven brengen het dus anders op onze ogen over en de ogen bezorgen het brein dan ook een andere indruk. Hierbij komt, dat alles behalve de intensief gekleurde dekhaarpunten modificerend werken. Terecht spreekt de standaardtekst daarom van donker gepunte pelsharen en niet van zwarte.

 

Resultaat

Betrekking op de grannenpunten bevestigt het experiment met het fotopapier de naam ‘Zwartgrannen’ in zoverre, dat men niet de grannen van de wortel tot bij de haarbasis bedoelt. Dat die grannenpunten duidelijk als zwart verschijnen, heeft ook met haar lange verdikte punt te maken. Wat het oog echter aan het dier ziet, verschijnt niet alleen maar als zwart en wit. De criticus spreekt daarom nogal eens van de indruk van een ‘bruingrannen’ konijn. Het is voor de verdere ontwikkeling van het ras interessant om te weten, of het kans van slagen heeft om het overduidelijke, door de dekhaarpunten beïnvloede, bruinhaareffect te verdringen en gelijktijdig intensief glanzend zwart gepunte grannen te krijgen. We weten al sinds de onderzoekingen van dr. Niehaus, dat het door consequente fokselectie mogelijk is een wit verschijnend konijn met bruine ogen te fokken. De door Jaroslav Fingerland meervoudig beschreven Mährische Witten gelden als prototype. Maar hoe staat het met de mogelijkheid om een Zwartgrannen konijn te fokken, waarbij werkelijk slechts de grannenpunten zwart zijn?

 Waarom het moeilijk is, de kleurbegranning op het gehele lichaam gelijkmatig te vormen

Deze vraag betreft natuurlijk niet de wildkleurige zones (banden), maar alleen het bereik die kleurbegranning moeten hebben. Het heeft vooral twee aparte zones (banden) met een verschillende richting: de meest duidelijke, mindere intensieve, kleurbegranning aan de borst en de intensieve kleurbegrande oorranden. Voor beider bereik laat de standaardtekst toleranties toe. Beide tolerantiezones zijn toegestaan, want zij hebben iets met de oervorm van de zwart wildkleur te doen. De standaardbeschrijving van de kleur ‘wildgrijs’ bevat de verwijzing, dat “de kleur aan de borst… iets lichter zal zijn”. Bij de uitgangsrassen van de Zwartgrannen, de Klein Chinchilla en de Saksengold wordt wel is waar aan de borst een gelijke kleurintensiteit, zoals op het dek verlangd, echter iedereen weet, dat daarbij theorie en praktijk vaak niet samengaan. De niet in aanmerking nemende intensiteit van de kleurbegranning aan de borst, is een consequentie vanuit de genetische omstandigheid.

Bij de oorranden wordt een lichte kleurige zoming getolereerd. Veel dieren van onze Zwartgrannen hebben echter duidelijke donkere oorranden, vooral in het bovenste bereik. Wie verbaast zich hierover? Eén van de uitgangsrassen, de Klein Chinchilla moet een zwartgekleurde, duidelijk begrensde oorrand hebben en die vervelende donkere oorranden zijn bij de Saksengold helaas maar al te vaak te zien. Het dulden van de ‘gekleurde licht gezoomde’ oorranden definieert tegelijk het fokdoel. Duidelijke donkere oorranden moeten bestraft worden en wanneer de ‘lichte ooromzoming’ er is, betekent dat nog lang niet, dat het zo moet zijn. Is het wel mogelijk om Zwartgrannen werkelijk zonder lichtgekleurde ooromzoming te fokken? In deze richting heb ik nu enige jaren gewerkt, nadat een ervaren keurmeester, collega Sunder, mij bij mijn eerste dieren op die ‘donkere oorranden’ opmerkzaam gemaakt heeft. Uit een worp van januari 2005 hebben twee voedsters geen noemenswaardige gekleurde ooromzoming meer, zij hebben echter ook op het lichaam slechts een ‘licht roetachtige waas van lichtere intensiteit’, zoals de standaard uit 2004 het beschrijft. Het gaat dus wel, maar… Naast het bovenstaande commentaar van de neuralgische zonen heb je natuurlijk ook nog het probleem van de nuancering, dat bij Klein Chinchilla als ‘krachtig’ en ‘vlokkerig’ beschreven wordt, maar het geldt bij de Zwartgrannen als fout. De fokkers van de Zwartgrannen dienenmaatregelen te nemen, indien zich dit vertoont, om dit te verdringen. Hoe ziet dus de ideale dekkleur eruit? Aan de gehele zichtbare romp een gelijkmatig verdeelde fijne kleurbegranning, met nog duidelijk herkenbaar gekleurde zoming van de oren. Dat grenst aan kwadratuur der cirkels, echter voor volkomen onmogelijk houd ik dit niet. Fokken betekent ook het onmogelijke, mogelijk proberen te maken.

 Waarom zijn de buik en de onderzijde van de staart wit?

Eindelijk eens een eenvoudige vraag! Dit is toch eenvoudig te beantwoorden. Zwartgrannen dragen de wildkleur factor en bij de wildgrijze konijnen en bij de Klein Chinchilla zijn deze toch ook wit? Waarom moeten ‘iets donker doorgezette’ en ‘sterk donker doorgezette’ wildgekleurde zones in de standaard bij de lichte en zware fouten over het algemeen vermeld worden? Omdat men die op zijn minst gedeeltelijk nog heeft. De opmerkzame lezer zal zich slechts afvragen, hoe dit dan mogelijk kan zijn. Ik kan het antwoord eenvoudig houden en zeggen, dat er vroeger of later eens één of ander ras is ingekruist. Waarschijnlijker lijkt het mij, dat dit iets met de sterke feomelanine van de kleur Saksengold te doen heeft, die in dit geval over de intensief roodgekleurde buik van uitgangsdieren op de een of andere manier toch tot puntkleur in de wildkleurige zones van onze Zwartgrannen kleurige dieren voert. Want aan die wildkleurige zones betreft het, naar de inzichten van E. Contes, alle drie hoofdhaarsoorten, dus ook die voor puntkleurgevoelige grannenharen.

Naar mijn, tot op heden opgedane ervaringen, gaat het hier om een fout, die door een passende selectie relatief eenvoudig te verhelpen is.

 Waarom altijd weer een aanduiding van tussenkleur foktechnisch te bewerken

Zoals al meermalen vermeld, dragen beide uitgangsrassen van de Zwartgrannen de wildkleurfactor {GG(Duits) AA(Int.)}. Deze kan, zoals de Saksengold laat zien, verdrongen worden, maar het heeft de onaangename eigenschap, zich er steeds weer graag in te mengen. Overigens ook bij rassen met de factor voor geen banden van kleurverdeling in de pels {symbool gg(Duits) aa(Int.)}, bijvoorbeeld de Marburger Feh (nauwkeurige onderzoekingen hierover volgen nog). Niet voor niets is in de nieuwe standaard bij alle eenkleurige rassen, bij de lichte fouten ‘tussenkleur’ en bij de zware fouten ‘duidelijke tussenkleur’ opgenomen. Bij onze Zwartgrannen kleurige dieren zijn de uitsluitingsvoorwaarden echter duidelijk harder, want ‘herkenbare tussenkleur’ bepaalt de uitsluiting. Bovendien behoren dieren met een op een of andere manier herkenbare tussenkleur, in geen geval in de fokkerij thuis.

 

Waarom het zinvol is, dieren met lichte tot midden kleurbegranning en desondanks intensieve donker kleurige nagels te fokken

De nagelkleur van onze Zwartgrannen kleurige dieren wordt met ‘hoornkleurig’ vaag aangegeven. Men kan dit als een vrijbrief beschouwen, om zich niet bijzonder druk te maken om de nagelkleur. De eisen van de uitgangsrassen gaan verder, ‘zwartbruin’ bij de Klein Chinchilla en ‘hoe donkerder, hoe beter’ bij de Saksengold. Dit motto zal ook bij de Zwartgrannen gelden. Bekijkt men de beschrijving van de grijze kleurslagen, dan valt het op, dat van ijzergrauw tot haaskleurig, bijna dezelfde eisen gelden, voor wat betreft een zeer intensieve pigmentering van de nagels. Wildkleurigheid{symbool GG(Duits) AA(Int.)} en intensieve nagelkleur schijnen dus zinvol met elkaar verbonden te zijn. De lijn van de Zwartgrannen met een echt zwakke pigmentering van de nagels zal gevaar lopen, een verschillende intensiteit van de pigmentering en de tendens tot enkele of meerdere pigmentloze nagels is dan juist erg groot. Men moet bij de teeltkeus onvoorwaardelijk ook op een mogelijke intensieve gelijkmatige pigmentering van de nagels letten. Als ik mijn tot nu toe opgedane ervaring in acht neem, heb ik de indruk, dat zij zelfs dominant vererven.

 Slotwoord

Het citaat van Edwin Contes uit de brief van 14 maart 2005 zal slechts de aanstoot zijn voor enige fokkers om een beraadslaging voor te dragen op de fokkersdag van de Rhön en Zwartgrannen Club.

Zoals zo vaak, vergaat het mij nu deze keer ook weer zo, dat ik, hoe meer ik me in de zaak verdiep, des temeer problemen zich voor doen. Grondig er naar kijken en nadenken heeft echter nog niets beschadigd, juist als het om de verdere ontwikkeling van een ras gaat. Ik verontschuldig mij voor de uitvoerigheid, maar misschien kunnen mijn waarnemingen toch behulpzaam zijn voor de fok.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *