De opfok van Zilvervossen

zilvervos

Door: Jan in ’t Groen

Er is al veel geschreven over het ontstaan van de Zilvervos. Duidelijk is wel dat de Zilvervossen onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan zowel in Engeland als in Duitsland in de twintiger jaren.

Ze traden op in de nesten van de Chinchilla’s. Dit kon echter alleen als beide Chinchilla -ouders de tanfactor in verdekte vorm bij zich droegen. Het waren de Engelsen die hiervan een zeer aantrekkelijk ras creëerden. De Zilvervossen zijn een combinatie-type en geen mutatie zoals vaker wordt aangenomen. Het is de combinatie van Chinchilla cch met de Tanfactor at. Door de geel-bellettingsfactor op Tan los te laten ontstaat een fenotype waarbij het rood bij de Tan vervangen wordt door wit. Het is dus een Tan-konijn met chinchillafactor.

Doordat in het begin de kwaliteit, van de verdeling van de spitzen niet het gewenste resultaat liet zien werden verzilverde dieren ingekruist. Daar dit met de fok van eigen dieren niet zou gaan lukken. Spitzen ontstaan op de zgn. tastharen die bij de Zilvervos rijk aanwezig zijn. Deze tastharen, ook wel stich genoemd, worden door invloed van de rui en de chinchillafactor wit getopt.

De Zilvervos is bij uitstek een Pelsras en ze danken hun ontstaan dan ook door pogingen om de waardevolle Vospels te imiteren. Van de verschillende zilvervoskleurigen is de zwarte de oudste. (Engeland 1924.)

De Zilvervos is in Nederland erkend in maart 1933 en valt in groep 4 de groep van de kleurpatroondieren. Vooralsnog waren ze erkend in de kleuren zwart, blauw, bruin, donker sepia bruin, midden sepia bruin, donker blauw marter en midden blauw marter. Doch de marter-kleurigen zijn in 1998 uit onze standaard verdwenen.

Opfok en selectie van jonge Zilvervoskonijnen

Voor verreweg de meeste kleinveefokkers, en of dit nou konijnen, hoenders, duiven of iets anders zoals schapen zijn, mag als mooiste periode van het jaar, de fokperiode genoemd worden. Voor de meesten onder ons, valt deze periode in het voorjaar tot de vroege zomer, immers in deze periode worden de meeste jonge dieren geboren. Na de geboorte van een nest of het uitkomen van eieren beginnen wij fokkers met het selecteren van deze dieren, want we kunnen nou eenmaal niet alles wat geboren wordt doorhouden. Wat dit selecteren betreft wil ik mij beperken tot de konijnen en dan met name de Zilvervos, het ras dat door mij reeds 20 jaar gefokt wordt.

Ondergetekende fokt in een binnenstal en maakt geen gebruik van nestkastjes. Na de worp wordt de voedster even uit het hok gezet om ongestoord bij de jongen te kunnen komen. De eerste selectie bestaat uit het controleren hoeveel jongen er geboren zijn, of deze compleet zijn en of ze de zilvervosuitmonstering bezitten. Het komt soms voor dat er eenkleurige dieren in een nestje voorkomen. Dieren die niet helemaal compleet zijn, worden in de regel verwijderd, omdat met deze dieren nauwelijks resultaten bereikt kunnen worden. Voor de fok zouden ze eventueel ingezet kunnen worden wanneer men een bepaald doel nastreeft, doch meestal bevat een nest jonge Zilvervossen voldoende dieren die compleet zijn om mee verder te gaan.

Wanneer de voedster naar mijn mening wat weinig wol geplukt heeft, breng ik wat extra wol aan van langharige konijnen die in sommige gevallen voorkomen. (Deze dieren worden door mij op een leeftijd van ± 3 á 4 maanden geknipt, waarbij ik de wol bewaar) Na zo’n knipbeurt groeien deze dieren geweldig goed door en zijn op een leeftijd van een maand of 5 uitermate geschikt voor de poelier.

De Zilvervos is in de meeste gevallen goed in staat om nestjes van 6 tot 8 en later in het seizoen tot zelfs 10 jongen, te zogen en groot te brengen. Meestal zorg ik ervoor, dat enkele voedsters nagenoeg tegelijk werpen, dan is het zeer goed mogelijk om enkele jongen uit een groot nest over te leggen in wat kleinere nestjes, uiteraard na deze te voorzien van een merkje, dit kan door middel van een pleistertje in het oor, zodat steeds de fokcombinatie van zo’n dier te achterhalen is.

Tijdens de zoogtijd, die bij mijn dieren meestal zo’n 7 tot 8 weken duurt, zorg ik steeds voor wat groenvoor zoals schallen ( zo worden bij ons de paardebloemen of melkdistels genoemd), boerenkool voor zover nog aanwezig, winterwortels en de pennen (wortels) van het witloof als dit geoogst is. (Deze zijn een welkome aanvulling op het voer, dat meestal graag gegeten wordt) Natuurlijk krijgen de zogende voedsters voldoende biks, goed hooi en voldoende vers water. Tijdens de zoogperiode worden de nestjes dagelijks gecontroleerd, waarbij tegelijk de selectie begint.

In de eerste dagen beperk ik mij ’s morgens tot het met de hand voelen of het nest warm is, waarbij de jongen meteen tegen mijn hand springen. Wanner dit het geval is zit het wel goed. Als een nestje niet warm aanvoelt, controleer ik verder of de voedster niet over de jongen geürineerd heeft, wat soms voorkomt. In zo’n geval is het soms reeds te laat, doch het komt voor dat zo’n nestje nog te redden is, door hier droog zaagsel onder te brengen en wat extra droge wol. Als de temperatuur niet al te laag is in de stal, komt zo’n nestje er weer wel bovenop.

Na een dag of 10 moet men controleren of de ogen normaal open gaan, als dit niet het geval is kan men hierbij wat helpen door middel van een watje met wat gedestilleerd water. Na een week of drie, afhankelijk van de temperatuur in de stal, beginnen de jongen rond te huppelen en te knagen aan het hooi en het overige ter beschikking gestelde voer. Dan kan de selectie eigenlijk pas echt goed beginnen.

In sommige nesten zilvervossen komen na een week of drie één of meerdere jongen voor dier er qua type en bouw en vooral pelslengte uitspringen. Na 5 tot 6 weken ziet men dat deze dieren de langhaarfactor in zich hebben en derhalve ongeschikt zijn voor de show. Er zijn fokkers die deze dieren gebruiken voor de fok, maar ondergetekende heeft de ervaring dat deze langhaarfactor vrij sterk vererfd en vervolgens te vaak voorkomt. Daarom gebruik ik deze dieren voor het verzamelen van wat extra wol. Sommige fokkers beweren dat deze factor noodzakelijk is voor het succesvol fokken van zilvervossen. Ondergetekende kan hier echter geen uitsluitsel over geven. Wel ervaar ik, dat wanneer deze dieren voorkomen, meestal ook wel enkele goede dieren in deze nestjes aanwezig zijn.

De volgende selectie kan plaatsvinden na een week of 7 tot 8, wanneer de eerste verharing achter de rug is. De kortharige dieren zijn dan vaak fabelachtig mooi getekend, met zeer scherpe snuiten, triangels, achterbeenbelijning enz., voor de fok of show zijn deze dieren echter ongeschikt, de Zilvervos is immers een pelsras waarbij een iets langere pels verlangt wordt. Ook kan men in dit stadium gaan selecteren naar het kleurpatroon zoals dit verlangd wordt. Hierbij is het zinvol om te letten op de snuittekening, de borstkleur, de achterbeenbelijning, de plaatsing van de spitsen en de ooraanzet. Vanzelfsprekend let men in dit stadium ook op type en bouw, pelslengte, pelsdichtheid, oogkleur, nagelkleur enz.

Deze controles voeren we natuurlijk ook uit na 3 tot 4 en 7 tot 8 maanden wanneer de tweede en derde verharing plaatsvindt. Na de derde verharing kunnen we een redelijke selectie uitvoeren waarbij de dieren voor de verdere fok en voor expositie op de diverse tentoonstellingen uitgeselecteerd worden. De overbodige dieren worden soms als gezelschapsdier voor kinderen van de hand gedaan. Een laatste selectie vindt plaats voor elke tentoonstelling. Hierbij letten we dan vooral op uitsluitingsfouten zoals foutieve oogkleur, foutieve nagel- en grondkleur aan buik, gebit- en geslachtsdeel-afwijkingen, witte pluizen enz.

Het kleurpatroon en de zilvervospels kunnen op vele plaatsen fouten of afwijkingen vertonen. De belangrijkste wil ik hierna even op een rij zetten:

Onscherpe achterbeenbelijning, of dwarsbanden op de achterbenen. Onscherpe snuitbelijning of meelsnuit. Te laag geplaatste spitsen waarbij soms de spitsen op de achterhand geheel ontbreken of een onregelmatige spitsenverdeling. Witte haren op plaatsen waar deze niet verlangd worden. Onscherpe of te grote triangel. Te rijke of te donkere borst en voorbenen. Onvoldoende grondkleur aan buik, vooral bij de bruine kleurslag. Te korte pels, te stugge pels, te slappe pels met onvoldoende onderwol, pels met roestverkleuring. Verder gelden naast bovengenoemde tekortkomingen ook nog de algemeen geldende lichte en zware fouten op het gebied van type en bouw, kleur, tussen- en grondkleur, stand van de voor- en achterbenen, oordracht en structuur en oorlengte enzovoort.

Gezien het bovenstaande zou men zich afvragen of het mogelijk is om een tentoonstellingswaardig dier te brengen. Het antwoord hierop is ja, hetgeen mijns inziens betekent, dat het ras op een redelijk peil staat. Schrijver dezes heeft niet de intentie dat het bovenstaande als regel gehanteerd moet worden bij de fok van de Zilvervossen, doch het is enkel een opsomming van de fok zoals deze door mij uitgevoerd wordt.

In de twintig jaar dat ik Zilvervossen fok heb ik pieken en dalen gekend. Het is mooi om de top te bereiken, maar wanneer de top bereikt is kan men alleen trachten deze vast te houden. In de meeste gevallen volgt hierop een terugval, waarna men weer een doel heeft om na te streven, waardoor de hobby en sport levendig blijft en steeds met groot plezier, dagelijks bedreven kan worden.

Dongen, april 2000. Jan in ’t Groen (Doorgewinterde Zilvervosfokker)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *